2008.10.05

Waar of niet waar?

Op toetsen of examens moet je soms antwoorden of een stelling of een uitspraak waar of niet waar is. Dat is vaak moeilijker dan je op het eerste gezicht zou denken. Daarom deze tips:

  • Om waar te zijn moet elk onderdeel van de stelling of uitspraak waar zijn. Van zodra er één deel niet waar is, is de volledige stelling of uitspraak niet waar, ongeacht het aantal onderdelen dat wel klopt.
  • Let goed op negaties, woorden die een bepaalde kwaliteit uitdrukken absolute woorden en lange zinnen:
    • negaties kunnen voor verwarring zorgen. Als de vraag negaties zoals niet, geen, kan niet bevat, laat dan even deze negaties weg en lees dan wat er overblijft. Beslis of deze nieuwe zin waar of niet waar is. Als hij waar is, dan is zijn tegenstelling (deze met de negaties) doorgaans niet waar en omgekeerd.
    • woorden die een bepaalde kwaliteit uitdrukken zoals soms, vaak, frequent, over het algemeen maken het mogelijk om juiste uitspraken of stellingen te vinden. Omdat ze een zekere bescheidenheid in zich dragen, weerspiegelen ze vaak de realiteit.
    • absolute woorden zoals geen, nooit, altijd, iedere, volledig, enkel zijn woorden die het aantal mogelijkheden beperken. Ze houden in dat de uitspraak of stelling 100% waar moet zijn en duiden er heel vaak op dat de uitspraak of stelling niet waar is.
    • lange zinnen bevatten vaak woordgroepen die van elkaar gescheiden zijn door leestekens. Controleer of iedere woordgroep waar is. Van zodra er één niet waar is, is de volledige uitspraak of stelling niet waar.

Bron

http://www.studygs.net

16:57 Gepost door Lieven Coppens in Leren studeren | Permalink | Tags: hoger onderwijs, secundair onderwijs, examens | |

De commentaren zijn gesloten.